Prof. Frits Zernike

Frits Zernike Het portret-plastiek van Frits Zernike (1888-1866) is op eigen initiatief gemaakt n.a.v. zijn 50ste sterfdag op 10 maart 2016. Frederik (Frits) Zernike was een Nederlands natuurkundige die in 1953 de Nobelprijs voor Natuurkundige ontving voor zijn uitvinding van de fasecontrastmicroscoop. Met dit instrument, een aanvulling op de gewone microscoop, kan het inwendige van levende cellen zichtbaar worden gemaakt. Tevoren was dit onmogelijk omdat voor de gewone microscopie dodelijke kleurstoffen onontbeerlijk waren. Ook werkte hij aan de Zernikepolynomen, die gebruikt worden bij het beschrijven van afwijkingen van lenzen in optische systemen. Na zijn studie chemie met natuurkunde en wiskunde als bijvak aan de universiteit van Amsterdam kreeg hij verschillende wetenschappelijke prijzen in 1908 en 1912 (voor opalescentie in gassen). De eerste van de Rijksuniversiteit Groningen, een gouden medaille met een wiskundige prijsvraag. De tweede van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in Haarlem met een theoretische verhandeling over de optische eigenschappen van gassen in een faseovergang. Van 1913 tot 1915 was hij bij het Sterrenkundige Laboratorium aan de Rijksuniverstiet Groningen assistent van Jacobus Cornelius Kapteyn. Hij promoveerde in 1915 in Amsterdam tot doctor in de scheikunde op het proefschrift “Kritische opalescentie, theorie en experimenten” over opalescentie van gassen. Na zijn promotie verhuisde hij naar Groningen waar hij Leonard Ornstein opvolgde als lector in de theoretische natuurkunde. In 1920 werd hij benoemd tot hoogleraar theoretische natuurkunde. In 1930 trouwde hij met de lerares Theodora Willemina van Bommel van Vloten (1887-1945), lid van de familie Van Vloten en in 1954 met Lena Baanders (1886-1975). Rond 1958, het jaar waarin Zernike met emeritaat ging, werd hij getroffen door een slepende neurologische ziekte die hem in toenemende mate hinderde en waaraan hij in 1966 overleed. Hij werd in het familiegraf op begraafplaats Zorgvlied in zijn geboortestad Amsterdam begraven. De predikante Anne Zernike en de schrijfster Elisabeth Zernike waren zusters van Frits Zernike. Via zijn zus Lize Zernike was hij een oudoom van een andere Nederlandse Nobelprijswinnaar: Gerard ’t Hooft. Na de oorlog heeft hij in een leren jas op een motor door Duitsland gereisd om een fabriek te vinden die zijn uitvinding zou willen produceren. Toen is dit mislukt maar in 1953 ontving hij de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor zijn uitvinding van de fasecontrastmicroscoop. Dit instrument was een aanvulling op de gewone microscoop. Daarmee kon het inwendige van cellen levendig en goed zichtbaar worden gemaakt. Tevoren was dit onmogelijk omdat voor de gewone microscopie dodelijke kleurstoffen onontbeerlijk waren. Zijn uitvinding is toen een belangrijke uitvinding voor de ontwikkeling van de geneeskunde geweest. Ook werkte hij aan de Zernikepolynomen, die gebruikt worden bij het beschrijven van afwijkingen van lenzen in optische systemen. Internationaal staat het werk van Zernike nog volop in de aandacht. In Groningen is een educatief terrein naar Zernike vernoemd: het Zernikecomplex (of de Zernike Campus) met onder andere het Zernike Science Park, het Zernikegebouw en de Zernikeborg.  Ook is er een krater op de maan naar hem vernoemd. Een dergelijk portret-plastiek verdient een een goede plek.